|
Tien jaar lang zwierf de Zwitserse arts Marcel Junod over de
slagvelden van de wereld. Als jong dokter werd hij in October 1935 door
het Internationale Rode Kruis uitgezonden naar Abessynië, waar de
Italianen juist hun overval waren begonnen. Nauwelijks was de strijd er
beëindigd, of in Spanje brak de burgerkrijg uit. En met het einde daarvan
rees het doek voor het tragische gebeuren, dat als de tweede wereldoorlog
in de geschiedenis te boek staat.
Van de adembenemende avonturen, die dr. Junod in die dramatische jaren
meemaakte, schreef hij een boeiend verslag. Uit zijn boek "Kampfer
beidseits der Front", dat weldra bij De Nederlandse Boekenclub, Den
Haag, in een Nederlandse vertaling zal verschijnen, vindt u hieronder een
enkele episode. Hij vertelt, hoe dr. A. van Schelven, de chirurg van de
Nederlandse Ambulance, op zijn weg naar Waldia, een plaatsje in het
Abessijnse binnenland, het slachtoffer werd van de inlandse bandieten, de
chifta's. |
|
Daar rijden wij dus wederom in volle vaart op de bruine,
droge wegen, die zo vlak zijn als een autobaan. Dikwijls rennen grote
troepen wilde paarden met ons mee in snelle galop. Dan, uitgeput, laten
zij ons gaan.
Eindelijk zijn wij gekomen aan de laatste heuvel, die ons
van Waldia scheidt, doch voor wij die kunnen beklimmen, moeten wij nog een
grote rivier oversteken.
Wij vinden de doorwaadbare plaats en ik stuur eerst de chauffeur te voet
op verkenning uit. Het water komt tot halverwegen zijn dijen. Dat zal dus
wel gaan. Ik schakel in de eerste versnelling over en zet de wagen in
gang, de neus een weinig stroomopwaarts om niet door de stroom te worden
meegesleept.
De kop en daarna het achterstuk van de wagen maken een
geweldige sprong en eensklaps staat de motor stil. Wij hebben panne.
Ik probeer hem weer aan de gang te krijgen.Het gelukt mij niet. Ik verzoek
de Engelsman aan het stuur te gaan zitten en de chauffeur, de piloot en ik
duwen uit alle macht. Doch al onze inspanning is vergeefs: de wagen
blijft onbeweeglijk staan, middenin de rivier. De stenen die door het
water worden meegesleurd, hopen zich weldra op tegen de wielen. En dat
beneemt ons alle hoop ons uit de moeilijkheid te kunnen redden
.Wij halen de wapenen en onze verdere bezittingen uit de
wagen en leggen ze in de schaduw van enige acacia's. Ik maak mij tamelijk
ongerust over de mogelijkheid, dat we door chifta's zullen worden
aangevallen.
Dokter
A. van Schelven in de tijd, toen hij als
chirurg voor het Nederlandse Rode Kruis in Abessynie werkte |
Ik maak mijn piloot deelgenoot van die ongerustheid en deze antwoordt mij:
,,Vraag Van Schelven liever ons zijn geschiedenis eens te vertellen."
Dan doet de Nederlander, met ingehouden stem, moeilijk
ademhalend en met een gezicht dat nog bleek en vertrokken is, ons het
verhaal van zijn avontuur: U ziet die heuvel daar . . . De weg loopt er
omheen en daalt vervolgens af naar Waldia. Daar, in de laatste bocht, zijn
wij aangevallen.
Ik was op weg naar Kworam met een karavaan van honderdtwintig muildieren.
Men had mij wel gezegd, dat het gevaarlijk was zonder escorte te trekken,
maar ik ben aan die geruchten gewend. Ik ben een oud-Indisch gast. Ik heb
twaalf jaar in Indië gewoond en ik laat me niet beïnvloeden door
moordverhalen . . . ,,Ik weet er alles van." had ik tot mijn vrienden
gezegd, ,,als je maar flink bent en vastberaden; je schiet er twee of drie
dood en de rest slaat op de vlucht als een zwerm mussen."
Ik was dus zonder de minste vrees tegen drie uur in de
morgen van Waldia vertrokken. Toen wij aan de voet van de heuvel kwamen,
verscheen er een felle zon aan de horizon. Met mijn verpleger aan de
staart van de karavaan lopend, kon ik voor ons uit de prachtige witte
kisten, met een rood kruis gemerkt, netjes op een rij zien gaan, heen en
weer slingerend op de ruggen van mijn muildieren.
Plotseling, zonder enige waarschuwing, knalden er geweerschoten dicht bij
mij. Eer ik de tijd had om mijn revolver te trekken, voelde ik dat iets
als een vinnige, pijnlijke slag met een..........
 |